Vele tienduizenden Nederlanders die ervan verdacht werden tijdens de oorlogsjaren met de Duitse bezetter te hebben gecollaboreerd werden in de eerste jaren na de Oorlog berecht in het kader van de bijzondere rechtspleging. Dit rechtssysteem week op een aantal punten af van bestaand recht. Zo werd de doodstraf heringevoerd, verdween het (automatisch) recht op cassatie en werd rechtgesproken door voor de gelegenheid opgerichte Bijzondere Gerechtshoven en de Bijzondere Raad van Cassatie.
In aanloop naar hun proces zaten de (vermeend) politiek delinquenten geïnterneerd in vaak provisorisch ingerichte Bewarings- en Verblijfskampen, met name in de eerste maanden na de Oorlog vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Vanwege de immense hoeveelheid dossiers die de autoriteiten te verwerken kregen moesten vele verdachten jarenlang op hun proces wachten. De vijf Bijzondere Gerechtshoven (Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Leeuwarden) behandelden in de regel de zwaarste gevallen. Het ging dan onder meer om hulpverlening aan de vijand, vreemde krijgsdienst, doodslag, moord, mishandeling en verraad. Ongeveer een kwart van de ruim veertienduizend personen die door een Bijzonder Gerechtshof werden veroordeeld kreeg het recht van cassatie toegekend. De Bijzondere Raad van Cassatie kon straffen vernietigen, wijzigen en kon zaken terugverwijzen naar een ander hof. In het kader van de bijzondere rechtspleging zijn onder meer 154 doodvonnissen uitgesproken en werden 149 personen veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.